Geschiedenis van het geld
|
Ruilhandel
In de oudheid werd handel gedreven doordat goederen en diensten rechtstreeks uitgewisseld werden in een verhouding die onderling overeengekomen werd. Men kon bijvoorbeeld een brood ruilen voor vijf eieren. Ruilhandel heeft drie grote nadelen:
- Er is niet altijd een wederzijds verlangen. Als er een tijd weinig behoefte is aan ei, heeft de boer een probleem.
- Veel producten zijn bederfelijk. Iemand kon niet sparen door veel brood op te sparen.
- Het is moeilijk om producten op waarde te schatten. Eén brood is vijf eieren waard, maar het moet ook een maatstaf hebben voor vlees, melk, enzovoorts.
|
Goederengeld
Sommige goederen waren waardevast en door iedereen gewild, bijvoorbeeld vee, gedroogd vlees en schelpen. Doordat men met deze producten ging betalen kregen ze de functie van geld. Dit wordt goederengeld genoemd.
Om geschikt te zijn als goederengeld moest een product aan de volgende voorwaarden voldoen:
- Moeilijk te vermeerderen of na te maken
- Niet bederfelijk
- Hoge waarde per gewichtseenheid om transport te vergemakkelijken
In het Romeinse rijk was zout een product dat moeilijk te winnen was. Daardoor was het een waardevol en waardevast product, en dus geschikt voor gebruik als goederengeld. De soldaten van het Romeinse leger werden betaald met zoutstaven, Salarium genoemd. Het huidige woord salaris is daar van afgeleid.
|
Goud
Goud is het bekendste voorbeeld van goederengeld. Het werd in munten geslagen met een bepaald gewicht. Dat gewicht stond gelijk aan een bepaalde waarde van het goud. Er kleefden echter ook nadelen aan goud. De kwaliteit was niet altijd hetzelfde, evenals het gewicht van de munten.
Ook was het gebruik van goud als betaalmiddel erg risicovol. Wanneer een grote betaling gedaan moest worden, dan moesten grote zakken goud van de betaler naar de ontvanger vervoerd worden. Het risico dat zo'n goudtransport overvallen werd was erg groot.
|
|
|
Banken
De oplossing voor het risico dat gepaard ging met goudtransporten kwam met de eerste primitieve banken.
Zij bewaarden het goud voor hun klanten en gaven hen een wissel, een ondertekend papier dat in te ruilen was voor gouden munten.
Daarmee kon de eigenaar van de wissel betalingen doen.
Deze wissels waren veel eenvoudiger en veiliger te vervoeren dan grote zakken met goud.
De praktijk leerde dat, zo lang de reputatie van de bank niet geschokt werd, deze biljetten vaak van de ene particuliere persoon aan de andere werden overgedragen en dat de houders ervan zich maar betrekkelijk zelden tot de bank wendden om betaling in goud te krijgen.
|
Goudstandaard
Een economie waarin munten en biljetten die een bepaalde hoeveelheid goud vertegenwoordigen als betaalmiddel gebruikt worden is gebaseerd op een goudstandaard.
|
Fiduciair geld
Omdat bleek dat houders van wissels hun biljetten haast nooit omwisselden voor echt goud, brengen de centrale banken in veel landen binnen nauwkeurig gedefinieerde grenzen geld in de omloop dat niet volledig gedekt is door de goudvoorraad.
Het kan daarbij gaan om munten en bankbiljetten maar ook om banksaldi. Dit geld, dat zijn waarde niet ontleent aan de hoeveelheid goud die het vertegenwoordigt maar aan het vertrouwen dat we er goederen en diensten mee kunnen kopen, wordt fiduciair geld genoemd.
Met dit fiduciaire geld heeft een centrale bank een middel in handen om de economie te sturen: door er op toe te zien dat de hoeveelheid geld die in omloop is gelijke trend houdt met de omvang van de economie (het totaal aan producten en diensten dat in een land verkocht wordt) kan men er voor zorgen dat het geld zijn waarde behoudt.
Wanneer er te weinig geld in omloop is komt de economie tot stilstand en wanneer er te veel geld in omloop is treedt inflatie op.
|